19/11/2021
Champagne
Maanden geleden kocht ik intuïtief ‘De vrouwen aan wie ik ’s nachts denk’ van de Finse schrijfster Mia Kankimäki. Het lag lang onderop een stapel boeken. Ik had er geen zin in: het was te dik, het ging over vrouwen die de halve wereld over reisden en allemaal dingen deden die ik toch niet durf. Bovendien had ik geen tijd om te lezen omdat ik me wilde concentreren op het schrijven van een nieuwe roman. Ik las alleen boeken en artikelen over mijn onderwerp: de geschiedenis en inheemse cultuur van Hawaiʻi.
    Onlangs kwam ik de dikke pil van Mia weer tegen. Ik las de eerste bladzijden, om te zien aan wie ik het boek cadeau kon doen. Daarna las ik de rest. In ‘De vrouwen aan wie ik ’s nachts denk’ reist de Finse een aantal onverschrokken vrouwen achterna. Ze gaat naar het Afrika van Karen Blixen, naar het Japan van Yayoi Kusama. Ze vertelt de levensverhalen van  wereldreizigsters uit de negentiende eeuw en van vrouwelijke kunstenaars uit de Italiaanse Renaissance die sluipweggetjes wisten te vinden naar een vrij beroep.
    Al lezend nam ik ongemerkt iets van hun moed over. Mijn weerstand tegen een mogelijke reis naar Polynesië (heb geen rijbewijs, word claustrofobisch in een vliegtuig, raak snel overprikkeld en krijg nu al stress bij het idee dat ik moet overstappen op een groot vliegveld) begon weg te sijpelen. Waar doe ik moeilijk over als zo veel vrouwen onder veel moeilijkere omstandigheden veel spannendere stappen hebben gezet? Zo kwam het dat ik opeens toch mijn eerste vliegreis alleen buiten Europa boekte en vier B&B’s reserveerde op The Big Island – nu maar hopen dat de researchtrip door kan gaan.
    Een dag later vond ik een telefoon in het park. Op het beginscherm stond een romantische foto van een jong stel. Ik nam het toestel mee en meldde de vondst op de site van de gemeente. Na een uur of drie belde ene Thomas dat zijn vriendin in totale paniek was omdat ze haar telefoon was verloren. Toen hij het toestel op kwam halen, bracht hij een fles champagne mee. Wat aardig, champagne. Laat ik nu net iets te vieren hebben.
2/10/2021
De eerste donkere jongen van Friesland
Op 6 juli 1766 zat de kerk van Harlingen stampvol. Het halve stadje moest uitgelopen zijn voor de doop van een achtjarig jongetje dat sinds december in Friesland woonde. De koster noteerde zijn achtergrond uitgebreid in het doopregister: Pieter Riem kwam van de Afrikaanse Goudkust, zijn vader was een Fransman uit de Elzas en zijn moeder ‘eene heidinne op de kust van Guinée’. Allebei zijn overleden: de moeder stierf al een jaar of vier eerder; de vader aan boord van het Hollandse schip waarmee hij met zijn zoontje naar Europa wilde terugkeren. De Friese bootsman van ‘’t Guineesche Welvaren’ (die naam!) ontfermde zich over de wees.
    Ik heb mijn achternaam altijd een tikje raar gevonden. Dankzij het stamboomonderzoek van een familielid weet ik waar die vandaan komt: het is de Hollandse verbastering van een Frans-Duitse naam. Christian Rehm ging als jonge soldaat naar Amsterdam en trad in dienst bij de West-Indische Compagnie – had hij enig idee waarin hij verzeild zou raken? Sinds kort staan de WIC-archieven online en kan ik zijn sporen nagaan: hij klom op tot sergeant in het beruchte fort Elmina en werd daarna katoenplanter. Over Afrikaanse katoenplantages is weinig te vinden, maar het lijkt erop dat de werknemers vrije mensen waren. Was de moeder van Pieter katoenplukster? Was het liefde tussen haar en Christian? Hoe heette ze, waar stierf ze aan?
    Het moet zwaar zijn geweest voor de kleine Pieter om niet alleen zijn ouders, maar ook zijn geboorteland te verliezen. Was hij een van de eerste mensen van kleur in Harlingen? Of zat de kerk vol omdat iedereen zijn verhaal zo treurig vond? Zijn vader liet hem een kistje met goud na en vierduizend gulden – omgerekend naar nu veertigduizend euro. In de notulen van de bestuursvergadering van de Kamer van Amsterdam staat dat de Heren eerst van plan zijn de voogd de erfenis te laten beheren – tot ze erachter komen dat Pieter een ‘bastert’ is en zijn moeder een ‘Negerinne’. Dan krijgt een van de bewindhebbers het onder zijn hoede. Hij koopt er aandelen van en laat in de administratie zoveel kostenposten opnemen dat er slechts dertien gulden over is als de meerderjarige Pieter zijn geld komt claimen. Hoewel ik de boeken niet kan controleren, heb ik een twijfelachtig gevoel bij deze Jan Jacob van Beaumont. Van hem is slechts zijn portemonnee – met zijn naam in gouden letters erop – bewaard gebleven. Dat lijkt me geen goed voorteken.
Lees de cyclus Vooroudergedichten in Het Liegend Konijn 2 van 2021 (verschijnt 20/10)
9/9/2021
Beschermheilige van armlastige schrijvers
Er lag een flyer in de brievenbus van een makelaar. Of ik benieuwd was naar de waarde van mijn huis of het misschien wilde verhuren. Ik probeerde het blad te verscheuren, maar het bleek geplastificeerd. Ik heb het niet zo op makelaars. Of op andere mensen die bij het woord ‘huis’ niet denken aan een plek waar iemand woont, maar aan een beleggingsobject.
    Vorig jaar verloor ik mijn woning in Amsterdam. De makelaar bij wie mijn huisgenote onze gedeelde etage huurde, wilde van ons af nadat we bij de gemeente geklaagd hadden over geluidsoverlast van de horeca beneden. Ik probeer niet te negatief te denken over hem. Leven met woede in je hart is niet bevorderlijk voor je gezondheid. Maar leuk was de ervaring allerminst.
    Het bleek niet eenvoudig een nieuwe plek te vinden die ik kon betalen en ik was een halfjaar thuisloos, een ‘zwurfster’ zoals mijn oma het verontwaardigd noemde. Ik logeerde bij een vriendin, in een vakantiehuisje, een woongroep, de huizen van familie en vrienden die op vakantie waren. Onzekerheid en stress smoorden mijn creativiteit. Toen gebeurde er een wonder. Sindsdien woon ik in een prachtig oud pand in het hart van Amsterdam. Ik heb een eigen appartement. Ik betaal geen huur.
    Mijn hospita is een dame die al jaren niet meer leeft. Ze was de weduwe van schilder, etser en fotograaf Willem Witsen. Zij waren genereuze mensen. Willem zorgde voor drank en sigaren als de dichters en kunstenaars van zijn tijd – de generatie van de Tachtigers – in zijn woning samenkwamen. Zijn vrouw liet in haar testament opnemen dat hun huis na haar dood een schrijvershuis moest worden waar auteurs mochten wonen zonder daarvoor te betalen. Haar fortuin – ze was een erfgename van een bierbrouwer – liet ze na om dat mogelijk te maken. Vele schrijvers woonden al in het Witsenhuis, vijf jaar is de termijn.
    De naam van deze onbaatzuchtige vrouw: Marie Witsen. Ze heeft werkelijk geleefd. Ze is tegenwoordig de beschermheilige van armlastige schrijvers.
20/8/2021
Zwartgelakte zomernacht 
Ergens in Amsterdam-Oost zag ik een bordje achter een raam staan met de tekst: ‘dit is in moai plak om te tútsjen’. Hoeveel stadgenoten zouden begrijpen wat er stond, vroeg ik me glimlachend af,  en ter plekke hun wandelmaatje zoenen?
    Door het bordje moest ik denken aan de eerste keer dat ik met mijn studievriendje mee naar zijn ouders ging, in Dokkum, toen ik net negentien was. Doodeng vond ik het. Ik vreesde dat niemand Nederlands zou spreken in Friesland. Die angst bleek niet helemaal ongegrond: ik was nog maar net binnen toen mijn toekomstige schoonmoeder aankondigde: ‘Asto wost bliuwe, moatst it leare’. De komende jaren zou ze altijd Fries tegen me spreken.
    Hoewel de liefde voorbij ging, ben ik dankbaar dat ik de prachtige, wat weemoedige taal van mijn verre voorouders heb geleerd. Het was overigens niet de bedoeling dat ik het ook zou spreken – dat kunnen Hollanders toch niet – ik moest het vooral kunnen verstáán. Maar stiekem oefende ik wel degelijk op mijn uitspraak. In Friese winkels begon ik in het Fries en wachtte af hoelang het duurde voordat men doorkreeg dat ik van elders kwam.
    Deze zomer wandelde ik nog eens tussen de greiden en in de wâlden, broedend op een gedicht over mijn voorouders. Weer in de stad dook ik in het ‘It faderpaard’ van Tsjêbbe Hettinga, de verzamelde gedichten van de grootste Friese bard. Zijn werk is één lange, zangerige liefdesverklaring aan zijn heitelân. De dichter zegt dat hij groen-bloedend bloed heeft; steeds weer gaat het over het gras, het hooi, het riet. Als je zijn gedichten leest, voel je de sinne op je huid branden, de wyn in je haar.
    Hakkelend, mezelf verbeterend las ik zijn gedichten hardop om het klankspel te horen: ‘yn it amper te tillen ljocht / lapkje ik it lânskip oan myn learzens’. Het mooiste vond ik het lange en daverende titelgedicht waarin een gitzwarte Friese hengst uit zijn zeezoute stal breekt tijdens een drachtige, zwartgelakte zomernacht onder tijd versplinterende sterren. Het is weergaloos en huiveringwekkend zoals een groot paard is en ik zou willen dat ik het net zo mooi kon voordragen zoals Hettinga. Maar voordat ik dát kan, moet ik nog in protte oefenen.

11/6/2021
Verlegen
Mijn moeder verzamelde elk boekje of tijdschrift waarin een verhaal of gedicht van mij werd opgenomen. Toch proefde ik in onze gesprekken dat ze mij in de kunsten eigenlijk soort-van-mislukt vond. Omdat ik van een beurs leefde, omdat het me niet echt lukte iets te verdienen met mijn werk. Ter verdediging zei ik dat Mulisch de meubels van zijn vader had moeten verkopen als jonge schrijver, dat Kloos het zonder zijn vrouw niet had gered. Maar waar voor mij een vaag begrip als ‘artistieke urgentie’ de kern van mijn werkende bestaan vormde, was dat voor mijn moeder ‘financiële zelfstandigheid’. Het leek haar beter als ik weer docent Nederlands werd.
    Kunst en geld zijn vaak water en vuur. Alleen de allergelukkigsten weten die twee te verzoenen. Veel kunstenaars zijn belabberde ondernemers. Zo raar vind ik dat niet. Het is al moeilijk genoeg om inspiratie uit de lucht te plukken, jezelf tijden op te sluiten in een poging iets van waarde te maken. Creëren is een introverte tour de force – is het niet een beetje veel gevraagd om ook nog te verwachten dat iemand makkelijk een extravert masker opzet en zijn of haar fantastische sociale vaardigheden aanwendt om lezers te trekken?
    Volgens schrijver Eus – favoriet van mijn ouders; hij kan het wél – moeten verlegen schrijvers een mediatraining volgen. Ja, komt het dan goed? Ik heb mijn twijfels. Maar ik zie ook wel dat achter die twijfels angst zit. Omdat ik een sociale kluns ben. Omdat ik niet kan netwerken, borrels enorm stressvol vind. Dus besloot ik na mijn moeders overlijden het dan tenminste te probéren. Over mijn schaduw heenstappen, mezelf meer laten zien.
    Ik stuurde een kort verhaal over haar dood op naar Het Parool. Daarna: kramp in mijn borstkas, fel gloeiende angst. Een duivel met een tang om mijn hart schreeuwde dat ik uitgelachen, gehaat, afgewezen zou worden. Ik deed mijn best mijn angsten nuchter toe te spreken, ontkrachtte alle irreële gedachten – maar de pijn blééf. Mediatraining? Helpt dat ook tegen rellende jeugdtrauma’s? Misschien kan ik beter vrede sluiten met mijn verlegenheid.
    Hoewel: op het verhaal in de krant kreeg ik veel sympathieke reacties. Een buurvrouw van mijn ouders zei dat mijn moeder trots zou zijn geweest.
2/6/2021
De wiervissenrevolutie
In de Netflixdocumentaire ‘Chasing coral’ (2017) zag ik wiervissen, zeepaardjes vermomd als takje wier. Deze briljante beestjes leven in de buurt van koraalriffen, de bedreigde kraamkamers van de oceaan. Hoe erg bedreigd toont de documentaire: onderwaterfilmers leggen daarin het verbleken en afsterven van een koraalrif vast – veroorzaakt door de opwarming van de zeeën.
    Na het zien van de film wilde ik graag bijdragen aan het behoud van de riffen. Omdat ik al best milieuvriendelijk leef, vroeg ik me af of mijn boeken óók groener konden. Ik dook in de materie, las verschillende artikelen van De Correspondent over duurzaam uitgeven en pluisde de website papierenkarton.nl uit waar alles op het gebied van papier en milieu samen is gebracht. Zo kwam ik erachter dat er een Zweedse papierfabriek is die mooi papier maakt dat het Europese ecolabel mag dragen en dat een van de grote Nederlandse drukkerijen bio-inkt gebruikt, op groene stroom draait en zelf haar (overige) uitstoot compenseert. 
    Ik vroeg de ontwerper van mijn nieuwe dichtbundel om een besparende opmaak en het hoofd van de productieafdeling van de uitgeverij om het Zweedse papier en bio-inkt. Dankzij hun medewerking werd mijn bundel al aardig milieuvriendelijk – maar ik wilde ook graag de volgende stap zetten: het boek klimaatneutraal maken. Wie boeken publiceert, produceert nu eenmaal koolstofdioxide en door klimaatcompensatie neem je daar verantwoordelijkheid voor.
    De gemiddelde uitstoot van een boek ligt tussen de 1 en 2 kg CO₂. Voor mijn duurzame bundel schatte ik de CO₂-emissie op hoogstens 500 kg voor de gehele oplage van vijfhonderd dichtbundels. Om dat te compenseren kun je bomen laten planten of investeren in milieuvriendelijke kooktoestellen in derdewereldlanden. Ik koos voor dat laatste, maar toen ik mijn 500 kg wilde intypen in de calculator op de site van het FairClimateFund bleek dat CO₂-compensatie alleen per ton ging en dan € 18,15 kostte – een bedrag waarvoor geen enkele arme dichter een excuus heeft.
    Ik mag me natuurlijk niks verbeelden met mijn hoopje drukwerk dat een paar bomen velt, toch houd ik mezelf graag voor dat alles telt als het gaat om klimaatbehoud. In mijn fantasie ontketenen de schrijvers van Nederland een kleine, ritselende revolutie door al hun boeken duurzaam én klimaatneutraal te maken, en gaan alle betrokken lezers op de fiets naar de boekhandel. Dan wordt de literatuur vanzelf een beschermd koraalrif.
24/5/2021
Godenkunst
Er is iets vreemds aan de hand met poëzie. Zodra ik gedichten begin te schrijven rol ik van de ene toevalligheid in de andere. Zie ik anders nooit dichters, nu fietsen ze me voorbij of zitten in de bus naar zee. De bekende over wie ik gister schreef, kom ik vandaag tegen in een winkel. Het gedicht ‘Blauwe magie’ was nog maar net af toen ik op de markt plantjes zag met op het label de naam ‘Blue magic’.
    Synchroniciteit geeft de dag iets bijzonders, maar minder leuk is het als je de regels of ideeën waar je zelf zo blij mee was in andermans poëzie ziet. Een van mijn gedichten begint met ‘ik word wakker in een letter’. Pas later las ik een ouder gedicht van een Zuid-Afrikaanse dichteres waarin de ik wakker wordt in een klank. Ander voorbeeld: ik zag op een ochtend het zonlicht over verschillende ruiten glijden en noteerde dat het licht tikkertje speelde. Dat beeld trof ik daarna aan in een recent gedicht van een Friese dichteres. Dit zijn niet de enige gevallen waarin ik bij andere dichters iets lees wat ik zelf geschreven heb, soms later, soms eerder dan zij. Ik kende hun gedicht niet en zij konden het mijne nog niet kennen. Gek.
    Blijkbaar hangen sommige ideeën in de lucht, zoals ook de boekdrukkunst tegelijkertijd door meerdere mensen werd uitgevonden. In de hoop dat íemand haar zal horen, fluistert de muze ons allemaal hetzelfde toe. ‘We zijn allemaal een, hè,’ zei een redacteur ooit gekscherend tegen me. Is dat het? Of zijn we Barbies in de handen van de muze?
    Soms heb ik zelfs het idee dat de dichters uit het verleden over ons waken in donkere dagen. Ik worstel met de angst om naar buiten te treden met mijn werk en moet zomaar sterk denken aan Wigman – waarom? Tijdens de uitreiking van een literaire prijs zit ik op het puntje van mijn stoel en staar naar de grote foto van Claus op het podium – en dan kijkt híj me opeens doordringend aan, net voordat ik mijn naam hoor. Zijn ze daar ergens? Hebben ze wel door wat wij hier uitspoken?
   Nee, poëzie is niet helemaal van deze wereld.
17/5/2021
Ontregelend
Kunst moet ontregelen, verontrusten. Taboes doorbreken. Schaamteloos zijn, confronterend, ongemakkelijk. Hoe vaak hoor je een kunstenaar of schrijver niet zulke uitspraken doen? O ja, denk ik dan, van wie moet dat precies? Wie heeft bedacht kunst zó zou moeten zijn? 
    Als studente Nederlands zat ik vol met ideeën over wat kunst moest. Ik las me duizelig aan poëticale teksten en manifesten van de schrijversgeneraties voor me. Dat al die ideeën bij mannen vandaan kwamen, realiseerde ik me pas later. Onze literatuuropvattingen zijn gevormd door de eenzijdige canon waarmee we zijn opgevoed, beweren drie vrouwelijke auteurs in een essay in Trouw, terug te lezen op fixdit.nu.
    De boel eens goed opschudden of vernieuwende ideeën naar voren brengen: dat was geen optie voor de meeste vrouwen uit het verleden. Omdat ze voor hun levensonderhoud en veiligheid volstrekt afhankelijk van mannen waren, konden ze niet anders dan plooibaar, braaf en lief zijn. Wie tóch mee wilde doen in de kunst moest die conditionering van zich afgooien. Sommige vrouwen konden dat. Belle van Zuylen kon het. Veel twintigste-eeuwse schrijfsters konden het. Maar ergens wringt de schoen. Natuurlijk wil je als vrouw vrij zijn van onderdrukkende, overerfde gedragspatronen. Maar als je je vervolgens aanpast aan de heersende, masculiene norm, wat heb je dan gewonnen?
    Eigengereid, noemde een recensent mij. Dat had hij goed gezien. Eigengereid en niet van plan de boeken te gaan schrijven die hij liever leest. Ik voel er meer voor expres een zachte stem te laten horen in de letteren, juist omdat die altijd weggebonjourd is. En als mijn werk dan te saai of emotioneel is voor critici met mannelijke normen, dan denk ik: pech. Zo, tot dit lieflijke monster, hebben de masculiene eeuwen mij gekneed. Maar zachtheid is ontregelend voor wie hard gewend is. Het is lief en niet lief tegelijkertijd.
Lees meer over de invloed van het verleden op de vrouwelijke psyche in Playing Big (2014) van Tara Mohr.
10/5/2021
Laatste fietstocht
Dit is niet gebeurd. Het was geen broeierige Moederdag, de kerkklokken en de donder klonken niet tegelijkertijd. De regenwolken verdwenen niet op miraculeuze wijze en de zon scheen niet op de gele bermen vol bloeiend koolzaad toen we op de fiets stapten voor een rondje over het eiland. Mijn zusje had de as van mijn moeder niet in een van de fietstassen gedaan, mijn vader had met een priem geen gaatje onderin gemaakt.
    We reden niet over de verzakte binnendijk naar de Zeedijk, niet langs het glinsterende water met kleine, verre zeilen, niet voorbij het gors waar de jonge ganzen al halfwas waren. Niemand huilde, niemand had pijn op de borst. Niemand dacht aan ontbijt op bed, aan een zelf verzonnen liedje, aan op school geknutselde cadeaus. Er waren geen oliebollen want de jaarlijkse rommelmarkt ging gisteren niet door.
    De fietstas werd niet ongemerkt leger en leger. Rietpluimen wuifden niet, er stonden geen schapen op het fietspad omdat iemand het hek was vergeten dicht te doen. Er waren geen wielrenners, geen oudere echtparen, geen puttertjes. Het bollenveld was niet gekopt. We haalden geen ijsje bij een boer, stapten niet af bij een geitenweitje, hadden geen wind tegen op de Drieëndijk die nu zo mooi is met die populieren erlangs, maar een kale vlakte was toen zij hier als schoolmeisje dagelijks fietste.
    Ze kan zoveel willen. Ze had het allemaal zo mooi bedacht. Die fietstocht, die lentedag. Maar wij zijn er ook nog. En we willen haar niet kwijt – al is ze dan van as.
5/5/2021
Als een slang
In de straatkrant las ik een interview met een zeemeermin. Ze heette Jopie en je kon haar boeken voor een kinderfeestje. Haar haar was roze, haar vissenstaart had ze zelf gemaakt. Jopie is niet de enige zeemeermin onder ons. Vergis ik me of is het mythische wezen populairder dan ooit? Er zijn tientallen boeken over haar (soms hem) te koop en bijna elk zwembad biedt workshops aan waarin je leert zwemmen met een monovin.
    Deze zomer beginnen op Sardinië de opnamen van de liveaction-versie van Disneys 'The Little Mermaid'. Toen vorig jaar bekend werd dat de hoofdrol vertolkt zal worden door een jonge Afro-Amerikaanse actrice, schrokken veel fans van de oorspronkelijke animatiefilm uit 1989. Zij hadden graag opnieuw een witte, roodharige Ariël gehad. Anderen waren juist blij en wezen erop dat de zeemeermin óók voorkomt in Afrikaanse mythen – daarin heet zij Mami Wata.
    Mami Wata is slechts een van de vele namen waaronder zeemeerminnen opduiken in de sagen van de mensheid. Dat fascineert me: bijna alle culturen kennen verhalen over zeemeermensen. Bij de oude Grieken waren er de nereïden en de oceaniden, bij de Assyriërs was er een godin met een vissenlichaam die Atargatis heette. Er zijn Thaise volksverhalen over een zeemeerminprinses en ook in Chinese en Japanse mythen figureren zeemeermensen. In Europese volksverhalen duikt de zoetwatermeermin Melusine op, er is een Engelse legende over een zeemeermin die verliefd wordt op een zanger, en in een Zeeuwse sage vervloekt een zeemeerman een dorp nadat zijn echtgenote door lokale vissers is meegenomen – het dorp vergaat, op de toren na.
    Hoe kan het dat dit dubbelwezen overal op aarde is terug te vinden – behalve in de grond, want een fossiel is nog nooit gevonden? Moeten we de meermin opvatten als een archetype uit ons collectieve onderbewuste, een symbool voor onze oorsprong: het leven dat uit de zee komt, of voor het ongeboren kind in zijn oceaan van vruchtwater? Herinnert zij ons – té verstedelijkte mensen die we zijn – aan onze dierlijke kant?
    Persoonlijk heb ik niet zoveel met zeemeerminnen. Ze zijn té mooi en té hulpeloos op het droge. Ik erger me aan die overdreven vrouwelijke passiviteit – die arme Jopie moet gedragen worden naar een kinderfeestje. Zeemeerminnen horen in een rolstoel. Het ergst van allemaal is dat ik zelf soms droom dat ik als een slang door het water glijd, een golvende staart achter me, mijn neus net boven het wateroppervlak. Daar snap ik helemáál niets van. 


Back to Top