11/6/2021
Verlegen
Mijn moeder verzamelde elk boekje of tijdschrift waarin een verhaal of gedicht van mij werd opgenomen. Toch proefde ik in onze gesprekken dat ze mij in de kunsten eigenlijk soort-van-mislukt vond. Omdat ik van een beurs leefde, omdat het me niet echt lukte iets te verdienen met mijn werk. Ter verdediging zei ik dat Mulisch de meubels van zijn vader had moeten verkopen als jonge schrijver, dat Kloos het zonder zijn vrouw niet had gered. Maar waar voor mij een vaag begrip als ‘artistieke urgentie’ de kern van mijn werkende bestaan vormde, was dat voor mijn moeder ‘financiële zelfstandigheid’. Het leek haar beter als ik weer docent Nederlands werd.
    Kunst en geld zijn vaak water en vuur. Alleen de allergelukkigsten weten die twee te verzoenen. Veel kunstenaars zijn belabberde ondernemers. Zo raar vind ik dat niet. Het is al moeilijk genoeg om inspiratie uit de lucht te plukken, jezelf tijden op te sluiten in een poging iets van waarde te maken. Creëren is een introverte tour de force – is het niet een beetje veel gevraagd om ook nog te verwachten dat iemand makkelijk een extravert masker opzet en zijn of haar fantastische sociale vaardigheden aanwendt om lezers te trekken?
    Volgens schrijver Eus – favoriet van mijn ouders; hij kan het wél – moeten verlegen schrijvers een mediatraining volgen. Ja, komt het dan goed? Ik heb mijn twijfels. Maar ik zie ook wel dat achter die twijfels angst zit. Omdat ik een sociale kluns ben. Omdat ik niet kan netwerken, borrels enorm stressvol vind. Dus besloot ik na mijn moeders overlijden het dan tenminste te probéren. Over mijn schaduw heenstappen, mezelf meer laten zien.
    Ik stuurde een kort verhaal over haar dood op naar Het Parool. Daarna: kramp in mijn borstkas, fel gloeiende angst. Een duivel met een tang om mijn hart schreeuwde dat ik uitgelachen, gehaat, afgewezen zou worden. Ik deed mijn best mijn angsten nuchter toe te spreken, ontkrachtte alle irreële gedachten – maar de pijn blééf. Mediatraining? Helpt dat ook tegen rellende jeugdtrauma’s? Misschien kan ik beter vrede sluiten met mijn verlegenheid.
    Hoewel: op het verhaal in de krant kreeg ik enkel sympathieke reacties. Ik denk dat mijn moeder wel trots zou zijn geweest - dat ik in elk geval deze keer mijn angst had overwonnen (en iets verdiend had).
2/6/2021
De wiervissenrevolutie
In de Netflixdocumentaire ‘Chasing coral’ (2017) zag ik wiervissen, zeepaardjes vermomd als takje wier. Deze briljante beestjes leven in de buurt van koraalriffen, de bedreigde kraamkamers van de oceaan. Hoe erg bedreigd toont de documentaire: onderwaterfilmers leggen daarin het verbleken en afsterven van een koraalrif vast – veroorzaakt door de opwarming van de zeeën.
    Na het zien van de film wilde ik graag bijdragen aan het behoud van de riffen. Omdat ik al best milieuvriendelijk leef, vroeg ik me af of mijn boeken óók groener konden. Ik dook in de materie, las verschillende artikelen van De Correspondent over duurzaam uitgeven en pluisde de website papierenkarton.nl uit waar alles op het gebied van papier en milieu samen is gebracht. Zo kwam ik erachter dat er een Zweedse papierfabriek is die mooi papier maakt dat het Europese ecolabel mag dragen en dat een van de grote Nederlandse drukkerijen bio-inkt gebruikt, op groene stroom draait en zelf haar (overige) uitstoot compenseert. 
    Ik vroeg de ontwerper van mijn nieuwe dichtbundel om een besparende opmaak en het hoofd van de productieafdeling van de uitgeverij om het Zweedse papier en bio-inkt. Dankzij hun medewerking werd mijn bundel al aardig milieuvriendelijk – maar ik wilde ook graag de volgende stap zetten: het boek klimaatneutraal maken. Wie boeken publiceert, produceert nu eenmaal koolstofdioxide en door klimaatcompensatie neem je daar verantwoordelijkheid voor.
    De gemiddelde uitstoot van een boek ligt tussen de 1 en 2 kg CO₂. Voor mijn duurzame bundel schatte ik de CO₂-emissie op hoogstens 500 kg voor de gehele oplage van vijfhonderd dichtbundels. Om dat te compenseren kun je bomen laten planten of investeren in milieuvriendelijke kooktoestellen in derdewereldlanden. Ik koos voor dat laatste, maar toen ik mijn 500 kg wilde intypen in de calculator op de site van het FairClimateFund bleek dat CO₂-compensatie alleen per ton ging en dan € 18,15 kostte – een bedrag waarvoor geen enkele arme dichter een excuus heeft.
    Ik mag me natuurlijk niks verbeelden met mijn hoopje drukwerk dat een paar bomen velt, toch houd ik mezelf graag voor dat alles telt als het gaat om klimaatbehoud. In mijn fantasie ontketenen de schrijvers van Nederland een kleine, ritselende revolutie door al hun boeken duurzaam én klimaatneutraal te maken, en gaan alle betrokken lezers op de fiets naar de boekhandel. Dan wordt de literatuur vanzelf een beschermd koraalrif.
24/5/2021
Godenkunst
Er is iets vreemds aan de hand met poëzie. Zodra ik gedichten begin te schrijven rol ik van de ene toevalligheid in de andere. Zie ik anders nooit dichters, nu fietsen ze me voorbij of zitten in de bus naar zee. De bekende over wie ik gister schreef, kom ik vandaag tegen in een winkel. Het gedicht ‘Blauwe magie’ was nog maar net af toen ik op de markt plantjes zag met op het label de naam ‘Blue magic’.
    Synchroniciteit geeft de dag iets bijzonders, maar minder leuk is het als je de regels of ideeën waar je zelf zo blij mee was in andermans poëzie ziet. Een van mijn gedichten begint met ‘ik word wakker in een letter’. Pas later las ik een ouder gedicht van een Zuid-Afrikaanse dichteres waarin de ik wakker wordt in een klank. Ander voorbeeld: ik zag op een ochtend het zonlicht over verschillende ruiten glijden en noteerde dat het licht tikkertje speelde. Dat beeld trof ik daarna aan in een recent gedicht van een Friese dichteres. Dit zijn niet de enige gevallen waarin ik bij andere dichters iets lees wat ik zelf geschreven heb, soms later, soms eerder dan zij. Ik kende hun gedicht niet en zij konden het mijne nog niet kennen. Gek.
    Blijkbaar hangen sommige ideeën in de lucht, zoals ook de boekdrukkunst tegelijkertijd door meerdere mensen werd uitgevonden. In de hoop dat íemand haar zal horen, fluistert de muze ons allemaal hetzelfde toe. ‘We zijn allemaal een, hè,’ zei een redacteur ooit gekscherend tegen me. Is dat het? Of zijn we Barbies in de handen van de muze?
    Soms heb ik zelfs het idee dat de dichters uit het verleden over ons waken in donkere dagen. Ik worstel met de angst om naar buiten te treden met mijn werk en moet zomaar sterk denken aan Wigman – waarom? Tijdens de uitreiking van een literaire prijs zit ik op het puntje van mijn stoel en staar naar de grote foto van Claus op het podium – en dan kijkt híj me opeens doordringend aan, net voordat ik mijn naam hoor. Zijn ze daar ergens? Hebben ze wel door wat wij hier uitspoken?
   Nee, poëzie is niet helemaal van deze wereld.
17/5/2021
Ontregelend
Kunst moet ontregelen, verontrusten. Taboes doorbreken. Schaamteloos zijn, confronterend, ongemakkelijk. Hoe vaak hoor je een kunstenaar of schrijver niet zulke uitspraken doen? O ja, denk ik dan, van wie moet dat precies? Wie heeft bedacht kunst zó zou moeten zijn? 
    Als studente Nederlands zat ik vol met ideeën over wat kunst moest. Ik las me duizelig aan poëticale teksten en manifesten van de schrijversgeneraties voor me. Dat al die ideeën bij mannen vandaan kwamen, realiseerde ik me pas later. Onze literatuuropvattingen zijn gevormd door de eenzijdige canon waarmee we zijn opgevoed, beweren drie vrouwelijke auteurs in een essay in Trouw, terug te lezen op fixdit.nu.
    De boel eens goed opschudden of vernieuwende ideeën naar voren brengen: dat was geen optie voor de meeste vrouwen uit het verleden. Omdat ze voor hun levensonderhoud en veiligheid volstrekt afhankelijk van mannen waren, konden ze niet anders dan plooibaar, braaf en lief zijn. Wie tóch mee wilde doen in de kunst moest die conditionering van zich afgooien. Sommige vrouwen konden dat. Belle van Zuylen kon het. Veel twintigste-eeuwse schrijfsters konden het. Maar ergens wringt de schoen. Natuurlijk wil je als vrouw vrij zijn van onderdrukkende, overerfde gedragspatronen. Maar als je je vervolgens aanpast aan de heersende, masculiene norm, wat heb je dan gewonnen?
    Eigengereid, noemde een recensent mij. Dat had hij goed gezien. Eigengereid en niet van plan de boeken te gaan schrijven die hij liever leest. Ik voel er meer voor expres een zachte stem te laten horen in de letteren, juist omdat die altijd weggebonjourd is. En als mijn werk dan te saai of emotioneel is voor critici met mannelijke normen, dan denk ik: pech. Zo, tot dit lieflijke monster, hebben de masculiene eeuwen mij gekneed. Maar zachtheid is ontregelend voor wie hard gewend is. Het is lief en niet lief tegelijkertijd.
Lees meer over de invloed van het verleden op de vrouwelijke psyche in Playing Big (2014) van Tara Mohr.
10/5/2021
Laatste fietstocht
Dit is niet gebeurd. Het was geen broeierige Moederdag, de kerkklokken en de donder klonken niet tegelijkertijd. De regenwolken verdwenen niet op miraculeuze wijze en de zon scheen niet op de gele bermen vol bloeiend koolzaad toen we op de fiets stapten voor een rondje over het eiland. Mijn zusje had de as van mijn moeder niet in een van de fietstassen gedaan, mijn vader had met een priem geen gaatje onderin gemaakt.
    We reden niet over de verzakte binnendijk naar de Zeedijk, niet langs het glinsterende water met kleine, verre zeilen, niet voorbij het gors waar de jonge ganzen al halfwas waren. Niemand huilde, niemand had pijn op de borst. Niemand dacht aan ontbijt op bed, aan een zelf verzonnen liedje, aan op school geknutselde cadeaus. Er waren geen oliebollen want de jaarlijkse rommelmarkt ging gisteren niet door.
    De fietstas werd niet ongemerkt leger en leger. Rietpluimen wuifden niet, er stonden geen schapen op het fietspad omdat iemand het hek was vergeten dicht te doen. Er waren geen wielrenners, geen oudere echtparen, geen puttertjes. Het bollenveld was niet gekopt. We haalden geen ijsje bij een boer, stapten niet af bij een geitenweitje, hadden geen wind tegen op de Drieëndijk die nu zo mooi is met die populieren erlangs, maar een kale vlakte was toen zij hier als schoolmeisje dagelijks fietste.
    Ze kan zoveel willen. Ze had het allemaal zo mooi bedacht. Die fietstocht, die lentedag. Maar wij zijn er ook nog. En we willen haar niet kwijt – al is ze dan van as.
5/5/2021
Als een slang
In de straatkrant las ik een interview met een zeemeermin. Ze heette Jopie en je kon haar boeken voor een kinderfeestje. Haar haar was roze, haar vissenstaart had ze zelf gemaakt. Jopie is niet de enige zeemeermin onder ons. Vergis ik me of is het mythische wezen populairder dan ooit? Er zijn tientallen boeken over haar (soms hem) te koop en bijna elk zwembad biedt workshops aan waarin je leert zwemmen met een monovin.
    Deze zomer beginnen op Sardinië de opnamen van de liveaction-versie van Disneys 'The Little Mermaid'. Toen vorig jaar bekend werd dat de hoofdrol vertolkt zal worden door een jonge Afro-Amerikaanse actrice, schrokken veel fans van de oorspronkelijke animatiefilm uit 1989. Zij hadden graag opnieuw een witte, roodharige Ariël gehad. Anderen waren juist blij en wezen erop dat de zeemeermin óók voorkomt in Afrikaanse mythen – daarin heet zij Mami Wata.
    Mami Wata is slechts een van de vele namen waaronder zeemeerminnen opduiken in de sagen van de mensheid. Dat fascineert me: bijna alle culturen kennen verhalen over zeemeermensen. Bij de oude Grieken waren er de nereïden en de oceaniden, bij de Assyriërs was er een godin met een vissenlichaam die Atargatis heette. Er zijn Thaise volksverhalen over een zeemeerminprinses en ook in Chinese en Japanse mythen figureren zeemeermensen. In Europese volksverhalen duikt de zoetwatermeermin Melusine op, er is een Engelse legende over een zeemeermin die verliefd wordt op een zanger, en in een Zeeuwse sage vervloekt een zeemeerman een dorp nadat zijn echtgenote door lokale vissers is meegenomen – het dorp vergaat, op de toren na.
    Hoe kan het dat dit dubbelwezen overal op aarde is terug te vinden – behalve in de grond, want een fossiel is nog nooit gevonden? Moeten we de meermin opvatten als een archetype uit ons collectieve onderbewuste, een symbool voor onze oorsprong: het leven dat uit de zee komt, of voor het ongeboren kind in zijn oceaan van vruchtwater? Herinnert zij ons – té verstedelijkte mensen die we zijn – aan onze dierlijke kant?
    Persoonlijk heb ik niet zoveel met zeemeerminnen. Ze zijn té mooi en té hulpeloos op het droge. Ik erger me aan die overdreven vrouwelijke passiviteit – die arme Jopie moet gedragen worden naar een kinderfeestje. Zeemeerminnen horen in een rolstoel. Het ergst van allemaal is dat ik zelf soms droom dat ik als een slang door het water glijd, een golvende staart achter me, mijn neus net boven het wateroppervlak. Daar snap ik helemáál niets van. 


Back to Top